De herfst was die dag gul. De hemel was helder, de bonte bladeren bewogen in de wind, en het was ongewoon warm voor de tijd van het jaar. Het publiek haastte zich naar het Russisch Huis. Daar klonken de verzen. Daar leefde de poëzie.
Op 27 september kwamen we samen — kinderen, volwassenen, degenen die nog leren lezen, en degenen die misschien de verzen van Jesenin al sinds hun schooltijd uit het hoofd kennen. De gelegenheid — 130 jaar sinds de geboorte van Sergej Aleksandrovitsj Jesenin, een dichter wiens regels ruiken naar hooi, berken, heimwee naar het moederland en een zachte liefde voor het leven.

Dima, de jongste deelnemer, sprak de woorden met ernst uit. Hij had al ervaring — hij trad op 9 mei op het podium van het Russisch Huis op. Dima’s moeder zou later nog voor ons zingen. Eerst waren de jongsten aan de beurt. Na Dima kwam Liza.
De organisator en de ziel van het evenement, Oksana, gaf elke volgende deelnemer de kans zich voor te bereiden. Tussen de gedichten door vertelde ze over verschillende perioden uit het leven van de dichter. Elk gedicht markeerde het einde van een fase en werd begeleid door foto’s die op het scherm werden getoond.
De zaal was versierd met sjaals — Pavlovo-Posad-sjaals. En natuurlijk waren er samovars. Echte — niet decoratief, maar van die waarin het water echt kookt en sist. Alles samen creëerde niet zomaar een decor, maar een sfeer waarin je je helemaal wilde onderdompelen.
Er was ook aandacht besteed aan de aankleding: geurige appels met doorschijnende schil, goudkleurige, knapperige broodringen — en niet een kers op de taart, maar de taart zelf, met de poëtische naam “Berjozka” (“Berkenboompje”).

Maar dat was tegen het einde. Ondertussen lazen en zongen onze deelnemers. Er zat iets heel persoonlijks in die voordrachten. Niet alles klonk vlekkeloos — sommigen worstelden met hun zenuwen, iemand vergat een regel… Maar niemand veroordeelde. Integendeel — warme applaus, instemmende knikjes, glimlachen. Alsof we allemaal deel uitmaakten van één grote familie.
En toen… een stem. Zuiver, hoog, melodieus. Maria. Zonder muziek, zonder opname — a cappella. Ze zong, en het plafond met stucwerk leek te luisteren. Niemand ademde. Het was geen lied — het was een gebed in noten.
Daarna kwam een spel. Grappig, levendig, vriendelijk. “Roesjejek” (“Kleine stroom”) — wie had gedacht dat dit oude volksvermaak zo natuurlijk zou passen in een dag gewijd aan een groot dichter?

Het leek alsof alles al gezegd was. De avond liep ten einde. En toen — een zachte maar vastberaden stem:
“Ik kan niet langer zwijgen. Mag ik zingen? Maar… oordeel niet te streng.”
Het was Svetlana. Ze had zich niet opgegeven, niet voorbereid. Ze zat er gewoon, luisterend. Maar haar hart kon niet in stilte blijven. En ze zong een romance. Eenvoudig, oud. Zonder microfoon, zonder begeleiding. Alleen haar stem. Warm, licht trillend — als het vlammetje van een lamp. Ze zong, en het was alsof ze door de tijd dreef. En de zaal werd opnieuw stil.
We besloten: in 2026 komen we weer samen — voor lezingen gewijd aan Michail Lermontov. Maar daarvoor zullen er nog andere avonden zijn. Eén daarvan — heel binnenkort.
De volgende bijeenkomst van de literaire salon zal bijzonder zijn. We zullen een kijkje nemen in de potten, theeketels en broodkasten van de Russische literatuur. Want de Russische keuken in de klassiekers is ook poëzie — de sjtsji van Oblomov, de pap van Trojekoerov, de taarten van Poesjkin en natuurlijk de vareniki van Gogol.
Kom erbij. Het is hier gezellig, huiselijk. Waar poëzie niet alleen in boeken leeft, maar ook in stemmen, in gebaren, in thee met broodringen. In vriendelijkheid.
Ben je al aangemeld? Nee? Dan hoor jij hier bij ons!⇐



